Banner
Divergences, Revue libertaire internationale en ligne
Slogan du site
Descriptif du site
HOLTERMAN, Thom. "Democratische Rechtsstaat en anarchisme"
logo imprimer

De rechtsstaat is geen onderwerp waarover anarchisten zich in positieve zin druk maken. Als ze zich ermee inlaten, is dat om er kritiek op uit te oefenen. Nu hoef je geen anarchist te zijn om kritiek op de werking van de democratische rechtsstaat te hebben.
Zo deed enkele jaren geleden de advocate Britta Böhler een boekje open over de crisis in de rechtsstaat. [1] Half mei 2007 werd de democratische rechtsstaat vervolgens in De Balie (Amsterdam) bediscussieerd. Dit gebeurde toen naar aanleiding van een net verschenen boek van de hoogleraar migratierecht, Thomas Spijkerboer. [2] Eind dat jaar deed de bestuurskundige Roel in ’t Veld er nog een schepje bovenop wat de democratie in het bijzonder aangaat. De representatieve democratie werkt niet, de politiek verkeert in een kramp en het wordt tijd voor nieuwe vormen van democratie, aldus In ‘t Veld. [3]
De aandacht voor de rechtsstaat kan zelfs heel anders gericht zijn, namelijk door die als exportartikel te zien. De versterking en bevordering van de rechtsstaat op nationaal niveau blijkt in de loop van de tijd uitgegroeid te zijn tot een miljardenindustrie, weet Ronald Jonge te melden. [4]

 I Inleiding

Gelet op de soort kritiek meen ik dat ook anarchisten zich meer met de problematiek van de rechtsstaat zouden kunnen inlaten, bijvoorbeeld door zich met de dynamiek van de permanente kritiek bezig te houden. Daarbij past een bepaald soort anarchisme, dat ik geneigd ben pragmatisch anarchisme te noemen.
Afgelegd is de idee dat de bestaande maatschappij in één klap fundamenteel is te veranderen in een libertaire maatschappij. Het wordt dus niet een wachten op de ‘grand soir’, zoals ze dat in Frankrijk wel noemen. [5] Wel geldt als uitgangspunt van de kritiek op de bestaande maatschappij de idee van een anti-etatistische samenleving als toetsteen. Dat betreft een samenleving waarin dominantie structureel is ‘opgelost’ en waarin geproduceerd wordt op grond van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen.
De weg om een dergelijke libertaire samenleving te realiseren is een op actie gebaseerde verandering. Die ‘actie’ wordt als veelvormig begrepen en kan een veelsoortige ‘vertaling’ krijgen. In dat licht is ook de uitdrukking ‘de dynamiek van de permanente kritiek’ te begrijpen. De kritiek moet duidelijk maken naar welke dynamiek wordt verwezen. Deze gedachte is overigens verre van nieuw. Bakoenin huldigde hem al in zijn jonge jaren.
Hij introduceerde bijvoorbeeld een dynamische voorwaarde in wat hij het democratisch beginsel noemde, door dat beginsel te definiëren als ‘gelijkheid van mensen die zich in vrijheid verwerkelijkt’. Daarmee postuleerde hij de noodzaak van een effectieve realisatie van de gelijkheid in de vrijheid. Op die manier zou het idee emancipatie niet louter theorie kunnen blijven. [6]
Hier neem ik over dat de kritiek moet duidelijk maken naar welke dynamiek wordt verwezen. Dit om niet in de kritiek te blijven hangen.

 II Kritiseren

Wat de rechtsstaat betreft spreekt men wel over de formele en de materiële rechtsstaat. Bij de formele rechtsstaat gaat het met name om de wijze van totstandkoming ervan. Die constructie staat ten dienste van wat wel de materiele rechtsstaat wordt genoemd. Het gaat in dat geval vooral om de inhoud van het recht. De materiele rechtsstaat is tevens drager van waarden. Dat zijn geen vrij zwevende waarden, maar gekozen waarden. De vraag die hier van belang is, luidt dan: wiens waarden? Wie of wat domineert bij het invullen van de waarden en van het ermee corresponderende recht? Er wordt geen geheim verklapt als men oppert dat de beantwoording van die vragen direct samenhangt met het in die maatschappij dominante economische systeem.
In Westerse maatschappijen wordt het economische systeem als subsysteem gezien, naast het politieke subsysteem. Het politieke systeem wordt als democratische rechtsstaat gekenschetst. Over dat subsysteem gaat het hier. De vraag die met name aan de orde komt is: wat is er democratisch aan ‘democratische rechtsstaat’?

Demos?
De democratie heet de meest gunstige kansen in te houden op een voor allen aanvaardbaar bestuur. Is dat wel zo? Wie zijn dan die allen? Het gehele volk van een bepaald land? Evenwel, in de ons bekende ‘democratie’ is de gang van zaken in hoge mate afhankelijk van het pacteren tot coalities van politieke ‘elites’. Uit dat wisselende pact vloeien wisselende compromissen voort met betrekking tot wetgeving en bestuur. Dit leidt in de praktijk tot een minimalistische aanpak van vele problemen, waarvan enkelen beter worden en velen niet wijzer. Het gebruik van het woordje allen heeft dus vooral ideologische betekenis om het bedoelde pacteren een quasi fundament te geven. Komt dit alles overeen met wat democratisch is aan een rechtsstaat? [7]
In zijn meest uitgeklede vorm gaat het om een staatsidee, waarbij de macht van de staat door het recht aan banden is gelegd. Natuurlijk roept dit meteen de vraag op wie bepaalt welk recht er geldt. Het is het recht dat door de grondwet mogelijk wordt gemaakt en dat binnen die grondwet moet vallen, zal men antwoorden. Dat is dan de vraag verleggen: wie stelt de grondwet op en bepaalt de inhoud ervan? [8] Voor het beantwoorden van zulke vragen wordt weer verwezen naar ‘democratie’. Alsof dan niet opnieuw de vraag verschijnt wie onder de demos vallen en onder welke procedurele maatregelen die demos zich kan of mag manifesteren? Gebruikelijk is nu naar de werking van het parlementaire stelsel te verwijzen als het beste van alle bestaande stelsels. Maar dat houdt nog niet in dat het ook het beste van alle mogelijke stelsels is.
Het stelsel waarmee men in Westerse landen gewend is te werken, is het parlementarisme. De aartsvader van het Nederlandse anarchisme, Domela Nieuwenhuis, heeft eens aangegeven dat dit woord is afgeleid uit het Italiaans en wel van de werkwoorden parlara (praten) en mentiri (liegen) [9], omdat praten en liegen het kenmerk uitmaken van wat er in het parlement gebeurt. [10] Of hij het met zijn afleiding bij het rechte eind heeft, doet niet zo terzake. Waar het omgaat is aan te geven dat de kritiek op ‘de democratie’ zoals wij die kennen al van oude datum is.
Al lang geleden werd eveneens doorzien dat het met parlementaire democratie er vooral om te doen is de bevolking een illusie te verschaffen. Door het houden van periodieke verkiezingen wordt de illusie geactiveerd dat de demos zichzelf regeert. In feite gaat het om een systeem dat de demos verleidt (‘kan je je tijd aan andere zaken besteden’) en aanpraat zich van zelfbestuur zal onthouden (‘besturen moet je aan specialisten overlaten’). [11] Met het bestaande stelsel tracht men zo de mensen af te houden van het uitproberen van een mogelijk ander stelsel.
Het andere stelsel waaraan hier wordt gedacht, is gestoeld op principes van zelforganisatie en het doet een beroep op het zelforganiserend vermogen van mensen. Dit vond op een heftige wijze bijvoorbeeld plaats tijdens de sociale revolutie in Catalonië 1936. Daar werden collectivisaties doorgevoerd door boeren, die geen ‘economische wetten’ of wat voor ‘wetenschappelijke theorieën’ kenden, maar wel onmiddellijk begrepen hoe je het sociaal-economische leven moest in richten en draaiend houden, zo merkt Arthur Lehning op. [12]
Wie dit voorbeeld als te ver gegrepen ervaart, kan voorbeelden vinden die minder ingrijpend van aard zijn dan een sociale revolutie. Het gaat in dat geval om voorbeelden van een veel beperktere schaal. Zo zijn er in het verleden enkele succesvolle plaatselijke uitwerkingen van de economische opvattingen van Silvio Gesell (1862-1930) aangaande zijn ‘Freigeld’ idee te vinden, zoals die in het Oostenrijkse stadje Wörgl plaatsvonden. Het gemeentelijke initiatief aldaar, om daadwerkelijk uitwerking aan Gesell’s ideeën te geven, leidde tot het verminderen van de werkloosheid en een opbloei van de middenstand. De Oostenrijkse centrale bank wist door middel van een juridische procedure het experiment een voortijdig eind te bezorgen: haar monopolie van bankbiljettenemissie werd immers aangetast. Dat is het punt: een geslaagd initiatief vanuit de bevolking zou wel eens kunnen aantonen, dat die bevolking het beter weet dan de zittende, centrale macht. [13]
In het geval van de sociale revolutie in Spanje en ook in de genoemde voorbeelden rond de introductie van een eigen monetair systeem op lokaal niveau was het dus de demos die van zich deed spreken. Echter, de verdedigers van het parlementaire stelsel zien de demos liever één keer in de zoveel jaren naar de stembus gaan en verlangen vervolgens dat die zich verder, in de vorm van ‘rechtsgenoten’, koest houdt en dat men niet in concurrentie treedt met het bestaande machtssysteem.
Terminologisch draait men nu rond. Men kan bijvoorbeeld opmerken dat slechts onder medewerking van de rechtsgenoten de rechtsorde in het leven wordt geroepen. Die rechtsorde vormt dan de rechtsstaat. Hoe ziet die ‘medewerking’ er uit? Wie worden als ‘rechtsgenoten’ gezien of erkend? Bij het opstellen van de Amerikaanse Constitution (1787) bijvoorbeeld zijn de slaven zeker niet als ‘rechtsgenoten’ geraadpleegd… [14]
Het statelijke stelsel, waarin het parlementaire stelsel verpakt zit, is opgezet om te voorkomen dat de demos zich in zelforganisatie en zelfinstitutionalisering uitdrukt. Het statelijk stelsel is namelijk gebaseerd op heteronomie. Het constitueert de continuering van de macht, het is gebaseerd op het paradigma van de overheersing. Daarin past wel het parlementarisme, als voorwendsel om tendensen die in de richting van een ‘sociale revolutie’ gaan, te dempen. En als het parlementarisme daar al niet in zou slagen, dan staan fascisten en andere antilibertaire krachten klaar om die tendensen te fnuiken, zoals in Spanje tijdens de sociale revolutie en in de andere gegeven voorbeelden al te duidelijk werd.

Vertegenwoordiging
Het parlementarisme heet de meest vergaande vorm van toelaatbare bemoeienis van ‘het volk’ met de staatszaken binnen het politieke subsysteem te leveren.
In het economisch subsysteem is ‘democratie’ al helemaal niet aan de orde. Economische machthebbers, de bedrijfsleiding van industriële ondernemingen en bankinstellingen, zij verwerven hun zetels nooit door middel van verkiezingen in een parlementair systeem.
Is het wat dat aangaat niet veelzeggend dat het in de privaatrechtelijke sfeer wel om een imperatief mandaat gaat bij ‘vertegenwoordiging’ en in de publieke sfeer van de kiezers een blank mandaat wordt gevraagd? De publiekrechtelijk vertegenwoordiging die de kiezer toestaat, is evenwel oneindig ingrijpender dan de vertegenwoordiging in het privaatrecht. Dat zou er aanleiding voor moeten zijn de publiekrechtelijke vertegenwoordiging streng en strikt te clausuleren, op zijn minst gelijk aan die in het privaatrecht. Dat is niet het geval en zo blijkt er van alles mis te zijn met het ‘democratische’ van en in de rechtsstaat. Dat wordt niet voor het eerst gezegd. Het is een repeterend verhaal.
Zo liet de Anton Constandse [15] zich een halve eeuw geleden al kritisch uit over ‘onze’ democratie. Hij verwoordt die kritiek mede vanuit hetgeen Proudhon bijna weer een eeuw daarvoor eens debiteerde. Deze nam als standpunt in dat, zolang grond, werkplaatsen, mijnen, ect. in private eigendom zijn, de basis van de maatschappij ondemocratisch is. Op die basis kunnen zich niets anders dan eveneens ondemocratische structuren verheffen. De kunst wordt nu om dit tóch als ‘democratisch’ te afficheren en om (bepaalde) besluiten van het (gecentraliseerde) bestuursapparaat als aanvaardbaar te laten verschijnen.
De kritiek van Constandse richt zich overigens niet op het beginsel, dat bij stemmingen de meerderheid de doorslag geeft. Waar het om gaat, is dat burgers geen democratische heerschappij hebben over de productie, de handel en andere belangrijke kenmerken van het menselijke bestaan. Het bestaande parlementaire stelsel houdt ze af van een burgerschap waarbij zij deelnemen aan fundamentele beslissingen omtrent de omstandigheden waarin zij leven.
Sommigen zullen er overigens niet aan moeten denken dat al die verschillende mensen en groepen ook mee zouden gaan beslissen. [16] Dan zou de democratie echt in crisis geraken. Het functioneren van het politieke democratische systeem berust in die visie namelijk mede op de gebruikelijke en zekere apathie en non-participatie van een deel van de bevolking. Deze marginalisatie van bepaalde, in aantallen vaak aanzienlijk grote groepen mensen is zeker antidemocratisch. Het heeft er wel toe bijgedragen dat de democratie effectief werkte. Die groepen, zoals de zwarte bevolking in de USA, nemen nu wel deel aan het politieke systeem. Het gevaar is daardoor dat het politieke systeem wordt overbelast met eisen van die groepen. Het systeem wordt daardoor kwetsbaar en dreigt vast te lopen. We moeten namelijk niet vergeten dat de democratie is opgezet voor en door de bourgeoisie…, aldus de Trilateral Commission in 1975. [17]

Machtstaat
De verdedigers van Westerse maatschappijen spreken met enige ophef over de verworvenheden van de democratische rechtsstaat. Een van die verworvenheden is dat het overheidshandelen onder het toetsingsrecht van de onafhankelijke rechter valt. Die rechterlijke controle levert tevens een belangrijk punt op binnen de pogingen van het politieke stelsel om de effecten die haar besluiten produceren aanvaardbaar te maken (‘je kunt altijd nog naar de rechter stappen…’).
Als een cluster van criteria van het voornoemde toetsingsrecht wordt dan, naast ‘de wet’, een geheel van grond- of mensenrechten aangewezen. We vinden daaronder de ‘klassieke’ grondrechten, vrijheidsrechten, en enkele ‘sociale’ grondrechten. Door dit laatste is de democratische rechtsstaat pardoes ook een sociale rechtsstaat. Het heet dan een ‘moderne’ rechtsstaat. Het is dus niet vreemd als onze aandacht naar die verschillende ‘rechten’ uit gaat.
In allerlei toonaarden wordt bezongen: de moderne rechtsstaat levert een systeem van beschermingsinstellingen en zekerheidsgaranties. Modern? Al sinds de oudheid gaat het om een systeem waar recht als de maat van macht, als de maat voor staatshandelen geldt. [18] Wat heet dus modern? Ik ontken niet het belang van al die punten. Waar het echter om gaat is dat al dit recht evenwel nog niet het paradigma van de overheersing ecarteert. Dat geeft anarchisten in om bij ‘staat’ onmiddellijk te denken aan een hiërarchische, institutionele constructie die over de maatschappij ligt. Zij wijzen een dergelijke constructie zoals bekend af.
Het woord ‘staat’ hoeft echter niet per definitie de vorenbedoelde hiërarchische connotatie te hebben. In het algemeen verwijst het woord ‘staat’ immers naar verhoudingen. Die kunnen onder/bovenschikkend, maar ook nevenschikkend zijn. Wat evenwel als een ‘moderne staat’ bekend is, kent een hiërarchische constructie.
Het gaat nog verder. Dat wat als ‘rechtsstaat’ wordt voorgeschoteld, is slechts de schil van wat daarbinnen huist: machtsstaat. In bepaalde onderdelen van wetgeving zit ook expliciet de mogelijkheid voor een conversie van rechtsstaat in machtsstaat. De machtsstaat is dus optisch weg, maar kan zo te voorschijn worden geroepen. [19]
Het is overigens niet nodig om anarchist te zijn om kritisch tegenover de implicaties van het machtsstatelijke denken te staan. In zijn Methodologie van staatsrechtelijke rechtsvergelijking heeft de toenmalige hoogleraar staatsrecht, de liberaal M.C. Burkens, al in 1975 geponeerd: ‘Statelijkheid dient te waarborgen tegen onderdrukking’. Vervolgens vult hij aan met ‘staatkundig dient niet de weg te worden afgesloten voor wat Camus noemde ‘l’homme révolté’, wie hij ook moge zijn’. [20] Ik vind dit nog steeds een vruchtbare gedachte, omdat die er andermaal op wijst dat staatkundige constructies mensenwerk zijn en dat geldt dus ook voor de ‘staat’.
De staat als hiërarchische constructie is een menselijke instelling. Zijn bestaan is een empirisch gegeven. Als een door mensen gemaakte instelling zou hij ook anders geconstrueerd kunnen zijn. Dit betekent dat hij er niet noodzakelijk ook zo uit moet zien zoals wij hem nu kennen. Het ligt geheel in de hand van degenen die deze constructie instellen, dan wel ingesteld (weten te) houden. Iedereen is vrij de staat veeleer als een gemeenschap van vrije en gelijke mensen te zien, die elkaar in een roterend systeem met een imperatief mandaat in bestuursfuncties aflossen. Het recht beschrijft daarbij de nevenschikkende posities die mensen innemen, ten behoeve van de nodige of gewenste coördinatie bij handelend optreden ten behoeve van de gemeenschap. Men vindt dit ondermeer in het anarcho-syndicalisme nader uitgewerkt.
Het is mogelijk ook deze nevenschikkende constructie ‘staat’ te noemen. In het verleden heb ik voorgesteld daarvoor in de plaats de meer neutrale terminologie van politieke organisatie te gebruiken. Ik sloot daarvoor aan bij de terminologie die al bijvoorbeeld bij Arthur Lehning is te vinden. [21]
In de afgelopen jaren zijn we evenwel vertrouwd geraakt met de tweedeling ‘nette staten’ en ‘schurkenstaten’. Het hebben van een grondwet wordt dan vaak als scheidslijn tussen beide staatstypen aangemerkt.
Het verlangen om tot de ‘nette’ staten te worden gerekend, geeft in om een grondwet op te stellen en deze als uitgangspunt van de betreffende staatsorde te maken. Het Chili onder de dictatuur van Pinochet is daar een naoorlogs voorbeeld van. Daarbij is het meer dan wrang als al lang niet meer wordt ontkend, dat de Verenigde Staten nauw betrokken waren bij de gewelddadige omverwerping van de democratisch gekozen regering van Allende, door welke omverwerping Pinochet aan de macht kwam. Ook de Verenigde Staten hebben een grondwet en pretenderen een rechtsstaat te zijn. Het zijn de VS die evenwel overduidelijk de uitgangspunten aan hun laars lappen als het hen uit komt. De VS levert wat dat aangaat benauwende voorbeelden van conversie van de rechtsstaat in machtsstaat.
Controle van een onafhankelijke rechter ten aanzien van overheidshandelen? De gevangenen die de VS in de kooien van Guantanamo Bay hebben vastgezet, zitten daar zonder juridische titel en zonder een rechter te kunnen vinden (schending van heel een oud grondbeginsel). Verder zijn er de geheime gevangenissen van de CIA, waarvan de Amerikaanse regering heeft erkend dat ze bestaan. [22] Daarnaast wordt door de VS bij herhaling het in een internationaal verdrag neergelegde verbod tegen martelen geschonden. Een juridisch geldig excuus valt daarvoor niet te bedenken, omdat het om een zogenaamd absoluut verbod gaat. [23]
Overigens geldt voor vele grond- en mensenrechten dat allerlei clausuleringen tot verregaande inperking van de werking van zulke rechten aanleiding kan zijn (en vaak feitelijk is) en dat niet alleen in de VS. Gaat het in dat soort gevallen om de wil van de demos of is het de demon van een regering? Met de demos heeft dit in ieder geval weinig te maken. Toch wordt het allemaal aanvaard…

Zwaardmacht
Een van de politieke problemen is het machtssysteem aanvaardbaar te houden en om te voorkomen dat de machtsstaat al te duidelijk te voorschijn komt. Dit leidt tot de vraag hoe dat te bereiken? Daarvoor heeft elke ‘cultuurkring’ zo zijn eigen middelen om die aanvaardbaarheid te laten ontstaan en voortduren. Wat de Nederlandse situatie betreft levert de calvinistische cultuurkring een sprekend voorbeeld, omdat met het gebruik van de term ‘zwaardmacht’ [24] in die kring een pracht van een metafoor is gegeven.
Een gezaghebbende vertolker van de bedoelde cultuurkring, de leerling van de ook in het buitenland niet onbekend gebleven Dooieweerd [25], merkt op dat zijn opvatting over de rechtsstaat wordt beheerst door een ‘religieus grondmotief als Archimedes punt’. Dat religieuze grondmotief als vooronderstelling maakt het hem mogelijk af te zien van het ter discussie stellen van de herkomst van het monopolie van de zwaardmacht van de staat. [26]
Wat mij in het gebruik van de term ‘zwaardmacht’ interesseert, is het feit, dat daarmee de staat aan zijn rechtsorde zo nodig met fysieke dwangmiddelen zijn wil kan opleggen. Natuurlijk zijn aan dat opleggen grenzen te stellen. Die grenzen worden gevonden in de morele waarden, die door de rechtsstaat worden belichaamd heet het in die kring. Alsof we na die lezing niet terug bij af zijn. Want wiens morele waarden dan? Door wie gedomineerd?
Brengen we deze vragen in verband met de omschrijving van de zwaardmacht, dan ligt de herleiding voor de hand dat de wil van de staat een uitdrukking is van wie overheerst. De vorm van de dominantie zal gestalte krijgen in de bijpassende (‘zijn’) rechtsorde. Zo zal wat de vorm ervan in calvinistische kring worden gepleit voor ‘soevereiniteit in eigen kring’. Daarmee wordt tegelijk de relatieve onafhankelijkheid (als ‘particularisme’) van het economische niveau in de bestaande maatschappij en de ‘vrije markt’ gered.
Onafhankelijk omdat de idee van het ‘particulier initiatief’ (van het bedrijfsleven) niet fundamenteel wordt aangetast — wat ook niet de bedoeling was. Relatief onafhankelijk omdat beperkende maatregelen aan het particulier initiatief kunnen worden opgelegd. In ons tijdperk van neoliberalisme zien we ook dat laatste bestreden en afgebroken worden.

Sociale staat
De calvinistische visie in relatie tot ‘zwaardmacht’ diende hierboven slechts als een voorbeeld van een veel breder gedragen antilibertair sentiment. Ook liberalen en sociaal-democraten verschaffen namelijk ieder op hun wijze in principe soortgelijke aanvaardbaarheidsbetogen als het staatsmacht en om het vrije markt denken gaat. Alleen over het soort overheidsingrijpen verschillen ze wellicht van mening met elkaar. [27]
De mogelijkheden om van overheidswege in te grijpen in het economisch leven, hebben niet tot doel het particulier initiatief terug te dringen. De ingrepen beogen juist zo regulerend te werken, dat het nastreven van korte termijn belangen door de ondernemers, niet tot ontbinding leidt van dat bedrijfsleven op de lange termijn. Het gaat erom de destructieve kracht te halen uit het alleen najagen van het eigen belang. In het nu heersende neoliberale tijdperk is dat over.
‘Steeds meer Amerikanen in diepe armoede’, kopte een Nederlandse krant op 25 februari 2007. De toegenomen armoede staat in scherp contrast met de economische opleving sinds 2001, heet het in dat bericht. De gemiddelde lonen blijven achter bij de flink toegenomen arbeidsproductiviteit, terwijl de bedrijfswinsten en topinkomens maar blijven stijgen, lezen we. Het zelfde verschijnsel doet zich in Europa voor. ‘Les riches en yacht, Les pauvres en galère’ sneert Le monde libertaire van eind mei 2007 (nr. 1479).
Zo gezien is de ‘sociale staat’ een zoveelste illusie. De pretentie ervan is of wordt niet waar gemaakt. De pretentie van de ‘sociale staat’ is de fricties in de maatschappij bestrijden of uitbannen, fricties die worden veroorzaakt door een kapitalistische economie. Dat bestrijden of uitbannen zou dan door middel van staatsinterventie in die economie moeten geschieden. Het merkwaardige is dat men nog steeds hoopt dat dit met behulp van een ‘parlementaire democratie’ kan worden bereikt. Tegen beter weten in, zo is al lang bekend.
Een Nederlandse voorman van de toenmalige sociaal-democratie, P.J. Troelstra, koesterde in 1921 al die hoop niet meer, waar hij opmerkte: ‘Niet in het parlement zetelt de geweldige macht van het grootkapitaal, doch daar buiten in de grote banken, de trusts, de centra van het bedrijfsleven’. [28]

Oriëntatiepunt
De parlementaire democratie, de sociale, materiele rechtsstaat, al deze juridisch-politieke constructies moeten ons doen vergeten dat uiteindelijk het maatschappelijk primaat bij de economische macht ligt. Die ‘macht’ wordt beheerst vanuit een sterk autocratisch systeem. Het idee van het primaat van de politiek is dan ook een leugen en het parlementaire stelsel vormt de façade om die leugen te verbloemen. Wat daaraan te doen? Een van de mogelijkheden is om de strijd aan te gaan de uiteenlopende pretenties, zoals we die zijn tegengekomen, permanent te toetsen aan de uitvoering. De toets zal moeten uitmaken of de uitvoering in de richting van de verwerkelijking van de pretenties wijst, of juist niet. In dat geval is het mogelijk de vorm van democratie zoals men die in Westerse landen kent tot uitgangspunt van dynamisering te nemen, dat wil zeggen in beweging brengen ten behoeve van verandering ervan. In dat geval moet ook een oriëntatiepunt worden gekozen om de richting van de beweging aan te geven en daarmee de inhoud van de verandering. Het oriëntatiepunt ligt hier in het anarchisme.
Als wordt beseft dat de parlementaire democratie onmachtig is de samenleving principieel te veranderen, dan zou die zo herzien moeten worden dat dit wel het geval kan zijn. Zij die zich daar tegen verzetten roepen dan dat de ‘democratie’ wordt bedreigd. Dat is hen eigenlijk een zorg. Wat zij vrezen, en niet ten onrechte, is dat er door de principiële verandering op een anti-kapitalistisch bestel wordt gekoerst.
Is die verwijzing naar de bedreiging van de democratie serieus te nemen? Dat lijkt me niet wanneer het gaat om het koersen in de richting van wat aan Bart de Ligt [29] kan worden ontleend aangaande ‘maatschappelijke democratie’. Deze vorm van democratie, zegt hij, betreft: “een maatschappelijk stelsel, waar alle van buiten opgelegde dwang en regering is opgeheven, omdat het volk zichzelf regeert, dat wil zeggen uit vrije economische, sociale en culturele verenigingen en verbonden van zich zelf regerende persoonlijkheden bestaat, die in bewust beheerste zelfmededeling tezamen een ‘gemeenschap’ vormen”.
De Ligt heeft het hier over een type democratie, dat tenslotte anarchisme blijkt te zijn. Democratie is in die opvatting een maatschappelijk-cultureel begrip. Hij zet daar tegenover de politieke democratie, die samenhangt met staatsmacht. [30] Het is deze politieke democratie die in dit geval aan kritiek wordt onderworpen.
Hier zal dus niet worden gekritiseerd dat onder democratie ook de strijd om vrijheden valt en hetgeen op dit punt in de loop van vele eeuwen is bereikt. De waarde wordt erkend van de beginselen van isonomie (gelijkheid van burgers; gelijke rechten voor mannen en vrouwen in de parlementaire democratie), evenals van gewetensvrijheid, meningsvrijheid, vrijheid van vereniging, sociale rechten, universele verklaring van de rechten van de mens. De kritiek geldt het feit dat op deze rechten vaak zulke clausuleringen van toepassing worden verklaard, dat ze niet of niet volledig kunnen worden uitgeoefend en dat ze regelmatig worden geschonden.
Het opmerkelijke is dat door hem op een zelfde wijze wordt gesproken over democratie, als we bij H. Kelsen (1881-1973), de vermaarde Weense staatsrechtsgeleerde kunnen lezen.
Democratie is het je onderwerpen aan hetgeen je met elkaar hebt afgesproken, zegt Kelsen. Daarmee verzet hij zich tegen autocratie, waarin men onderworpen is aan een wil die van buitenaf komt. Het is door het gebruik van zelfbestemming door het individu dat deze, samen met anderen, deelneemt aan de creatie van de sociale orde. Het individu is daarvoor autonoom. Het beginsel van de autonomie is het eerste beginsel van de democratie. [31] Dit is een libertair standpunt te noemen.
Gelet op dit uitgangspunt merkt Kelsen vervolgens op dat er geen beter middel is om de democratie te laten leven en de weg naar autocratie te blokkeren, dan de bevolking te laten deelnemen aan het bestuur. [32] Kelsen spreekt hier over ‘ideale’ en ‘directe’ democratie. Ik vind dit een honorabele oriëntatie voor een libertaire gezichtshoek en voor het dynamiseren van de parlementaire democratie.
Kelsen zelf doet evenwel een stap terug en voert uiteindelijk het pleit voor een parlementaire democratie. Het parlementarisme is voor hem echter geen onwrikbare zaak. Zelfs bij hem is er discussie of er bijvoorbeeld in het kader van hervorming van het stelsel niet ook met een imperatief mandaat zou moet worden gewerkt om politiek afgevaardigden in het spoor te houden. [33]
De centrale vraag wordt nu: hoe krijg je beweging in de stand van zaken? Die vraag levert een ‘strategisch probleem’ op. Vervolgens is er ook een ‘inhoudelijk probleem’: op welke politieke organisatie zal die beweging zijn georiënteerd? Kortom, het gaat om de strategische en inhoudelijk kant van het dynamiseren.

 III Dynamiseren

Voor de oplossing van het strategische probleem kan men verschillende kanten op die evenwel steeds een facet zijn van twee opties: een revolutionaire en een hervormingsgezinde optie. De revolutionaire optie betreft een sociale revolutie. De voorwaarden voor het slagen daarvan zijn in Westerse maatschappijen niet aanwezig. Sterker nog. Constandse kon jaren geleden al stellen dat het ideaal van het anarchisme wel zeer revolutionair is, maar het is de vraag of het door een revolutie verwerkelijkt kan worden. [34] Dan de hervormingsgezinde optie. Wie daarvoor pleit, zal het volgende voor de voeten krijgen.
De hervormingsgezinde optie voor veranderingsactiviteiten maakt de acceptatie van een systeem noodzakelijk, dat in zijn grondvesten gebaseerd is op ongelijkheid. Hoe is het mogelijk zo’n systeem om te vormen of te corrigeren, als de uitgangspunten van dat systeem moeten worden aanvaard? [35] Het is de anarchistische kritiek op de sociaal-democratische instelling: je kan niet zowel revolutionair-socialist zijn als parlementair. Die opstelling houdt namelijk een tegenspraak in, want ze maakt dat die houding leidt tot een hervormingspartij binnen het kader van een burgerlijk-democratisch staatsbestel. Rudolf de Jong, aan wie ik dit ontleen, wijst er daarbij op dat bijvoorbeeld Landauer daarom niet wilde dat zijn revolutionaire regering (die van de radenrepubliek München, 1919) het socialisme zou brengen of zou geven, maar dat die ruimte zou scheppen voor de sociale krachten in de maatschappij. [36] De vraag is dan of er een hervormingsgezinde optie bestaanbaar is, zonder in parlementarisme te vervallen.
Indertijd heeft Anton Constandse als volgt op die problematiek gereageerd. Het is mogelijk in een voortdurende protesthouding tegenover de maatschappij te blijven staan. Dat alleen zal onvruchtbaar blijken. Ook is het mogelijk het anarchisme inspirerende drijfveren te laten opleveren in allerlei bewegingen waarvan de doeleinden ethisch respectabel en sociaal bevrijdend zijn. Uitgaande van het ideaal van een staatloos socialisme (anarchisme) spreekt Constandse zich uit voor een reformistisch gebruik van de theorie. Het anarchisme is in zo’n geval werkzaam in vele bewegingen, maar zonder zelf een autonome politieke kracht van betekenis te (kunnen) zijn. [37]
.Ten behoeve van verandering zal men voor libertaire ideeën dus steun moeten zien te verwerven binnen die bewegingen. Dat betekent onder meer dat de kritiek die men op het functioneren van de stand van zaken heeft, verspreid moet worden. Vervolgens moet die door zo velen worden gedeeld, dat er een voldoende oppositie met een libertaire oriëntatie ontstaat. Dit kan worden ondersteund door allerlei zelfhulp- en doe-het-zelf activiteiten. [38]
Hetgeen Constandse ‘reformistisch’ anarchisme noemt, heb ik in een bewerking daarvan als pragmatisch anarchisme gekarakteriseerd. [39] Het is een typering die ik handhaaf voor wat ook hier aan de orde wordt gesteld.
In de sfeer van de politieke filosofie geldt de term ‘pragmatisme’ als een verwijzing naar wat door iemand als de Amerikaanse pragmaticus John Dewey (1859-1952) aan denkbeelden over individu en maatschappij is verwoord. Het zijn vervolgens teksten van de Amerikaanse anarchist Paul Goodman, waarin regelmatig naar Dewey wordt verwezen, die mij er toe hebben aangezet aandacht voor het pragmatisme te hebben. [40]
Het pragmatisme baseert zich op een handelingstheoretische benadering van het menselijk bestaan. De mens ‘is’ dus niet (geen essentialisme), hij is in de ‘handeling’. Men wil dus zo dicht mogelijk bij het concrete (de actie, de handeling) zitten. Hier verschijnt de relevantie voor de anarchisme-opvatting waarover ik het heb. In het opzetten van bijvoorbeeld een productieassociatie, gaan autonome individuen met elkaar samenwerken in een vorm van gemeenschappelijk bezit. Direct en heel concreet wordt aan handelen een anarchistische uitdrukking gegeven en zo zijn er vele vormen van handelingsgerichte activiteiten te bedenken, die libertaire ‘verandering’ in de maatschappelijke werkelijkheid kunnen bewerkstelligen
Het resultaat moet zijn dat door de totaliteit van activiteiten ‘gisting’ in de maatschappij ontstaat die uiteindelijk ook de parlementaire sfeer niet onberoerd zal laten. Deze manier van benaderen van het ‘strategische’ probleem, waarbij men binnen de gegeven sociale orde blijft en er daardoor niet aan ontkomt hervormingsacties te ondernemen, kan uiteindelijk toch verstrekkende gevolgen hebben voor het politieke systeem. Daarmee zijn we gekomen bij het ‘inhoudelijke’ probleem, te weten de vraag: over welk ander systeem van politieke organisatie spreken we?

Andere politieke organisatie
Om daarop in te gaan wordt teruggegrepen naar wat reeds over politieke organisatie is gezegd, namelijk dat we met een door mensen gemaakte instelling van doen hebben. In een rechtstheoretische strijd over die vooronderstelling spreekt men wel over een immanente zienswijze met betrekking tot staat en recht. In zo’n geval ontkomt men er niet aan als uitgangspunt te nemen, dat er geen macht bestaat buiten de mens om. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat er geen macht buiten ons is die het recht komt aanreiken. Wat er als recht geldt, is door mensen gemaakt. Vervolgens wordt gehuldigd, dat de staat niet aan het recht vooraf gaat. Het is een menselijke constructie ten behoeve van de uitvoering van wat met het recht is gegeven. Met deze opvatting is ook verzet te mobiliseren tegen het idee dat recht en staat transcendente figuren zijn. [41] Met reden, want die transcendentie maakt dat de positie van die figuren onaantastbaar is. In dat geval zou een dynamisering onmogelijk zijn. Want wat zou je willen doen tegen hetgeen dat van buiten ons komt?
Als de bestaande politieke organisatie mensenwerk is, wat let ons mee te helpen aan de instelling van een andere politieke organisatie dan bestaande? Hoe zou die andere organisatie in een ruwe schets eruit zien?
Die andere organisatie betreft een gemeenschap van vrije en gelijke mensen, die elkaar in een roterend systeem met een imperatief mandaat in bestuursfuncties aflossen. Het recht beschrijft daarbij de nevenschikkende posities die mensen innemen, ten behoeve van de nodige of gewenste coördinatie bij handelend optreden ten behoeve van de gemeenschap. Vanzelfsprekend vereist dit een op menselijke maat brengen van de woon-, leef- en productieomstandigheden. [42] Het vereist een uitwerking van wat Bookchin sociale ecologie noemt [43] en een regionaal georiënteerde economie met een op duurzaamheid gerichte productie van goederen.
Een aantal elementen van die andere organisatie is nu al uit te werken. Daarbij valt onder meer te denken aan het functioneel autonoom maken van groepen mensen in het proces van ruimtelijk ordenen (bewonersparticipatie) en andere vormen van burgerinitiatief. Zo is het ook nu al mogelijk om gemeentelijke diensten in opdracht van wijkraden te laten functioneren. Het zijn zaken die ingesteld kunnen worden, net zo goed als de sturingsinstrumenten ‘recall’ en ‘roulatie van positiebekleding’. Het zijn elementen die tot de participatieve democratie [44] zijn te rekenen en waar dus zonder problemen te dynamiseren is.

Modellen
Mensen die voor het instellen van de genoemde sturingsinstrumenten zijn, zullen geneigd zijn in termen van een nevenschikkend bestuursmodel te denken, dit als uitdrukking van de gelijkwaardigheid van sociale posities. Mensen die de toepassing van het recht van recall verwerpen en ferm het vrije mandaat van publieke vertegenwoordiging verdedigen, zullen geneigd zijn in een onder/bovenschikkend bestuursmodel te denken. Het is de uitdrukking van de idee van ongelijkwaardigheid van sociale posities.
Het verschil in modelkeuze correspondeert met een bepaalde kijk op mensen. Het nevenschikkingsmodel voor het bestuur correspondeert met een mondigheidsmodel als het om mensen gaat. Het onder/bovenschikkingsmodel correspondeert in dat geval met een infantiliseringsmodel.
In het mondigheidsmodel wordt er vanuit gegaan dat de ander principieel tot gelijke prestaties in staat is, dit in tegenstelling tot het infantiliseringsmodel. Dat model richt zich erop mensen zoveel mogelijk op hun plaats te houden en inactief te maken, bijvoorbeeld door het aanbieden van ‘vermaak’, met name televisievermaak. ‘Het doel van de televisie is de consument te formatteren’, merkt E. Grandvuinet op. [45] Hij verwerkt hier een uitspraak van de directeur van TF1, die opmerkt: ‘Wat wij aan Coca Cola verkopen is de tijd van beschikbare hersens. Aan ons is het ze beschikbaar te houden’. Een plastischer manier om uitdrukking te geven aan het hanteren van, in dit geval, het infantiliseringsmodel is nauwelijks te verzinnen.

Socialistische radendemocratie: een verouderd concept?
Met behulp van de vorengenoemde ‘modellen’ kunnen de pretenties in en de werkelijkheid van de bestaande maatschappelijke verhoudingen worden onderzocht en gekritiseerd. Bovendien kan door koppeling van het nevenschikkingsmodel (sociologisch niveau) en het mondigheidsmodel (psychologisch niveau) een schema worden ontwikkeld ten behoeve van de socialistische radendemocratie. Dit betreft een concept uit het pluriform anarchisme [46] dat, in de vorm van ‘constanten’, een aantal structuurelementen kent zoals:
• de commune wordt als kleinste publieke, territoriale eenheid gezien;
• de maatschappelijke structuur ontwikkelt zich door federatie(s) van autonome communes;
• de productie wordt georganiseerd op basis van vrije associaties van werkenden;
• niet regeren maar beheren heeft de nadruk.
Het eerste genoemde element drukt uit, dat de politieke wil van de communebevolking het economische niveau bepaalt. Anders gezegd, de commune-bevolking geeft antwoord op de vraag wat er geproduceerd wordt. Naarmate het om productie van zaken gaat, die de macht van de enkele commune overstijgt, is het rationeel dat die vraag beantwoord wordt in een samenwerkingsverband van de communes, de federatie(s) van communes. De productie zelf kan in volledig arbeiderszelfbestuur worden ondernomen, per bedrijf, bedrijfstak en overkoepelende verbanden.
Het economisch niveau groepeert zich daarvoor in de libertaire optiek in raden en waar nodig groeperen die zich tot (regionale) congressen van raden (functionele verbanden). Aldus vormt zich een democratisch radensocialisme waarvoor Bertrand Russell zich lang geleden als woordvoerder opwierp en wat nadien Noam Chomsky van hem overnam. [47] Dezelfde gedachte vindt men verdedigd bijvoorbeeld door Arthur Lehning. Hij gebruikt hier ook de term ‘anarcho-syndicalisme’. [48]
De gebezigde terminologie mag wellicht verouderd aan doen. Moderner is het een beschrijving van het maatschappelijk bestuur te geven in termen van een ‘netwerkbenadering’ en om van concepten uit de cybernetica gebruik te maken. Dat is ook beproefd. Het blijkt dat de ‘oude’ gedachte wonderwel een beschrijving in een modern jargon toelaat. Dat is niet vreemd, als men de grondslagen in termen van ‘constanten’ vat. [49]
De terminologie heet mede verouderd omdat volgens menigeen er geen ‘proletariaat’ meer bestaat, zodat een begrip als arbeiderszelfbestuur niet meer zinvol te hanteren zou zijn. Getalsmatig is daar in West-Europese landen inderdaad niet veel meer van over. Bovendien geldt in een neoliberale economische optiek personeel als ‘bedrijfsinventaris’, waarmee bijvoorbeeld bij bedrijfssplitsing en bedrijfsovernames gesold kan worden. De horizon van het ‘personeel’ is daarmee duister, de toekomst onzeker. Wat dat betreft heeft zich inmiddels een précariaat (van ‘précaire’, onzeker) ontwikkeld.
Dat laatste wil zeggen, dat er een leger is ontstaan van in onzekerheid verkerende werkers en ‘flexwerkers’, van mensen met tijdelijke banen, die om toerbeurten vacante plaatsen bezetten, van jongeren die als ‘inwisselbare waar’ worden behandeld, etc. [50] In Frankrijk is men wat dat betreft gaan spreken over ‘emploi précaire’ (onzekere tewerkstelling) en over ‘précarité’ (onzekerheid) in alles wat samenhangt met werk, met huisvesting en kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften. De onzekerheid is gegeneraliseerd, is tot systeem gemaakt. Wie de kranten erop naslaat weet dat in andere Westerse landen de situatie niet anders is. Als de bovenbedoelde terminologie al verouderd aan doet, de leefsituatie is niet minder onzeker dan voorheen. Die is voor velen principieel onveranderd.
Maar er is nog iets anders onveranderd uit de 19de en 20ste eeuw overgenomen, te weten het ‘Führerprinzip’. Dit betreft het leiderschapsbeginsel dat zijn herintroductie heeft meegemaakt met name in de private en geprivatiseerde productie- en dienstverlenende bedrijven en organisaties, waaronder ook universiteiten, in de decennia na de democratiseringsgolf van de jaren zeventig van de vorige eeuw. De hoge hoeden van de leiders van voorheen [51] gingen wel de kast in, maar hun dictatoriale instelling is er niet minder om geworden, zo bleek nadat het effect van die golf was weggespoeld. [52] Dat kan ook moeilijk anders omdat die instelling functioneel past bij het bestuurs- en organisatiemodel, waarin zij als leiders opereren.
De relatie waarin het overgrote deel van de mensen in dat model tot hen (de leiding van het betreffende bedrijf of de organisatie) verkeren, wordt als vanouds gekenmerkt als een gezagsverhouding: je moet doen wat de baas zegt. Er is dus veel veranderd, maar het fundamenteel anti-democratische karakter van het economisch subsysteem is ongewijzigd gebleven. Zolang dat niet principieel is veranderd, is het concept van de socialistische radendemocratie niet verouderd.
Dit betekent dat dit concept een organisatiemodel levert tegenover het gekritiseerde autocratische organisatiemodel. In een wereld waarin ‘dominantie’ maatschappelijke verhoudingen bepaalt — ook in de 21ste eeuw — blijft bijvoorbeeld het zelfbestuur een wenkend perspectief. Het is op allerlei plaatsen en niveaus te installeren om zo een ‘dynamique transformatrice’ [53] van de anarcho-politieke gedachte te vormen. Om dat transformatieproces gaat. Ik hecht er aan dit om de volgende reden te benadrukken.

Toetsteen
Het proces is interessant omdat het mogelijk maakt dat te analyseren in termen van topreductie en basisreductie, bijvoorbeeld waar het gaat om de ontwikkeling van vormen van participatie democratie. Topreductie zegt namelijk iets over de graad van toepassing van het nevenschikkings- en mondigheidsmodel; basisreductie zegt iets over de graad van toepassing van het onder/bovenschikkings- en infantiliseringsmodel.
Empirisch is vast te stellen dat een kapitalistisch bepaalde maatschappijstructuur zich vooral in termen van basisreductie voordoet, waarbij ik het niet voor onmogelijk houd, dat zich contradictoire vormen ontwikkelen. Een socialistisch bepaalde maatschappijstructuur biedt daarentegen gunstiger voorwaarden om zich in termen van topreductie te ontwikkelen. Dit tezamen brengt mij ertoe te denken in termen van verdediging van zaken, die van belang zijn bij de realisatie van het komende (verandering). Hiermee zijn verdediging en verandering gekoppeld. Langs deze weg verschijnt de vraag, of het waard is onze democratische rechtsstaat te verdedigen, als een die ondergeschikt is aan de vraag: hoe geraken we in een socialistische radendemocratie, waarin de als belangwekkend geachte verworvenheden van de democratische rechtsstaat zijn opgenomen.
Een socialistische radendemocratie zal namelijk ook hebben te voldoen aan rechtsstatelijke vereisten. Het handelen binnen het kader van de commune of federatie van communes zal overeenkomstig de gemaakte afspraken (of ze nu mondeling of schriftelijk zijn overeengekomen) moeten plaatsvinden (vergelijk het optreden ‘binnen het kader van de wet’). Een recall bijvoorbeeld zou niet goed uit te oefenen zijn zonder de idee dat men zich houdt aan wat is afgesproken. [54] Die afspraak (mondeling; op schrift gesteld) vormt het referentiepunt, vormt het toetsingskader.
Het rechtsstatelijk vereiste, dat er een onafhankelijke instantie moet zijn voor het toetsen van overheidshandelingen, past hier eveneens. Want niemand gaat mij vertellen dat een anarchistische samenleving er een is zonder problemen, zonder discussie, zonder conflicten. Daarbij staat het vrij het zoeken naar oplossingen voor geschillen te laten plaatsvinden via arbitrage, via mediatie. [55]
In het zelfde stramien is op te merken dat de magna charta (1225) indertijd mag zijn afgedwongen door edelen van de monarch en dat het eeuwenoude habeas corpus beginsel een beginsel is dat in een maatschappij past, waar gevangenneming meer dan gebruikelijk is, maar dat alles betekent nog niet dat die grondbeginselen niet als toetsteen hun waarde kunnen bewijzen. In de eerste plaats argumentatief om vandaar uit het overheidshandelen in de bestaande maatschappij te kritiseren, in de tweede plaats om de uitgangspunten ervan bij voorbaat voor een ontwerp van een andere maatschappij op te nemen. Die andere maatschappij laat nog even op zich wachten. De kritiek blijft en ze zal niet aflatend zijn.

Recht op verzet
De kritiek geldt niet de grond- en mensenrechten zelf, maar het feit dat ze geschonden of niet (adequaat) tot gelding worden gemaakt of te maken zijn. Daar ligt de relatie tussen kritiek en dynamiek. Het is op te merken dat ze worden geschonden of niet worden uitgevoerd. Dat is de eerste stap. De uitdaging aangaan om de nakoming te eisen is de volgende stap. In de drang tot nakoming zit de dynamisering. Bestaat er een ‘recht op leven’? Maak het maar waar, onder meer door mondiaal het ‘recht op schone lucht’, het ‘recht op schoon drinkwater’ te verwezenlijken. Het eisen dat rechten worden nagekomen is direct relevant binnen de beweging die zich inzet voor duurzame productie, voor de andersglobalisten bijvoorbeeld, die een anti-kapitalistische koers varen…
Een soortgelijk betoog is te houden als we spreken over vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid trekt een grote concentrische cirkel waar bijvoorbeeld binnen vallen ‘recht op vergadering’, ‘recht op uitwisseling van het geschreven en gesproken woord’. Het is een open recht. In de ene orde zal dat aan banden worden gelegd waar de bestaande macht vreest voor het ‘vrije woord’. Het recht is ook te dynamiseren door middelen ten behoeve van het vrije woord ter beschikking te houden, door de wegen waarlangs het wordt uitgeoefend open te houden, immers in die orde geldt: discussie helpt ons verder.
Hier knoop ik een gedachte aan vast, die bij de Franse filosoof Claude Lefort is te vinden. Hij wijst erop dat er, als de rechten van de mens eenmaal gesteld zijn, dan sociale beweging ontstaat naar verschillende kanten. Het realiseren van mensenrechten is namelijk als een missie te zien. Daar waar een recht in discussie raakt (over zijn toepassing in beperkende of uitbreidende zin), daar raakt tegelijk de gevestigde orde in discussie. Over welke middelen de gevestigde macht ook beschikt, ze wordt geconfronteerd met een recht van verzet. De rechten van de mens genereren, aldus Lefort, het recht op verzet als het bestuur van de bestaande orde de missie verraadt. [56] Die argumentatie is overigens niet nieuw, want soortgelijk al bij de ‘monarchomachen’ rond 1600 aan te treffen. [57] Het ‘verhaal’ is dus nooit af, zo blijkt.

IV Never ending tour

Als bijvoorbeeld de reeds hierboven geciteerde Burkens in 1996 over de meerwaarde van de nationale grondrechten schrijft, is dat in tijd genomen ver verwijderd van het tijdstip waarop die grondrechten werden geïntroduceerd. Toch meent hij, dat het noodzakelijk is de aandacht te vestigen op de problematiek van de optimalisering van de rechtswerking van die grondrechten.
Burkens noemt de nationale grondrechten dragers van een nationale traditie. Ze staan ergens voor, al vanaf onze gouden eeuw en ze worden gekenmerkt door werkelijke liberaliteit. Continuering van die invulling mag van onze wetgever worden verwacht, scherpt Burkens aan het eind van zijn betoog in, kennelijk niet gerust op wat hij zoal om zich heen ziet voltrekken. [58]
Inmiddels zijn we weer ruim tien jaar verder sinds Burkens zijn opstel schreef. Wat de mensen- en grondrechten toepassing betreft is het er niet beter op geworden. Ook geeft te denken dat het nodig is om een Europees Agence des droits fondamentaux in te stellen (per 1 maart 2007; gevestigd in Wenen) met een ruimere opdracht dan het orgaan had, dat door deze instelling wordt vervangen. Het vervangen orgaan volgde de problematiek rond racisme en vreemdelingenhaat. De taak van het nieuwe orgaan is verruimd tot alle vormen van discriminatie. De bevoegdheid van het betreffende orgaan strekt zich uit over de in het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens opgesomde rechten. Zonder uitzondering? Neen, natuurlijk niet, want uitgezonderd is dat wat verdragsrechtelijk wordt gerekend tot de ‘derde pijler’, te weten: justitie en veiligheid. Daar ligt evenwel de pijn als het gaat om overheidshandelen en politieke evaluatie van bepaalde als dreigend geachte situaties. Bij de reeds genoemde Britta Böhler en Thomas Spijkerboer valt daarover met betrekking tot de Nederlandse situatie meer te lezen.
In Frankrijk lijkt de situatie al niet anders. Daar is het kennelijk nodig om verzet aan te tekenen tegen een bepaald type wettelijke inflatie, die sinds vijf jaar aan de gang is. Het gaat om de ernstige aantasting van de fundamenten van de strafrechtsfilosofie. Die aantasting heeft een afglijden teweeggebracht van een strafrechtelijk denken, dat zich centreert rond de verschijnselen uitsluiting en opsluiting. Een groep juristen (docenten, advocaten, magistraten) roept daarom op tot waakzaamheid.
Ze wijst op de rijke Franse traditie van de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen. Ze herinnert er aan dat die rechten gelden voor een ieder die zich op Franse bodem bevindt. [59] Is het ook hier niet veelzeggend, dat men daar aan herinnerd moet worden? Zeker, de gouden eeuw waar Burkens voor de fundamenten van de grondrechten naar verwijst, ligt verder in tijd terug dan de Déclaration. Het aandachtpunt, les menaces sur l’Etat de droit, [60] is er niet anders om: de voordurende aantasting van die fundamenten en de voortdurende noodzaak om de rug te rechten als het om die aantasting gaat.
De aandacht die daarvoor nodig is, vereist een ‘Never ending tour’ om de woorden van de Amerikaanse zanger en songwriter, Bob Dylan, te gebruiken. Anders dan andere artiesten die hun ‘tours’ steeds een andere naam geven, lijkt Dylan te denken: het houdt nooit op. Tegelijk houdt dat je ‘Forever young’, aldus een van zijn songs.

‘Hommes révoltés’
Een Griekse dichter ging Dylan voor. Het is de dichter die door Arthur Lehning wordt geciteerd in zijn dankrede ter gelegenheid van zijn erepromotie in Amsterdam, in 1976. Beiden, de Griekse dichter en Bob Dylan, spreken over een tocht, een ‘tour’ die wel ergens zal eindigen. Wat de Griekse dichter betreft is dat het Griekse eiland Ithaka. Maar het doel is niet zozeer die plek te bereiken, als wel de tocht zelf. Het doel is dus het leveren van de krachtsinspanning om de tocht te maken. Moedig zijn, zingt Dylan, het houdt je ‘forever young’; het rechten van de rug, het openhouden van de weg, ook voor de homme révolté, zoals de constitutionele jurist Burkens adviseert.
Het gaat om de strijd voor een maatschappij die op gerechtigheid is gebaseerd (inderdaad: wiens gerechtigheid dan?) en een gezicht vertoont, waarin iedereen een optimisme kan zien oplichten (inderdaad: iedereen en niet alleen een bepaalde groep of ‘klasse’). Die strijd is historisch te duiden. Tegelijk kent ze een alomtegenwoordige actualiteit. Neem bijvoorbeeld de afgelopen eeuw, de eeuw van Arthur Lehning (1899-2000), zal ik hem maar noemen. Al jong houdt deze zich organisatorisch met het anarcho-syndicalisme bezig. Zijn activiteiten vallen in tijd samen met het uitkomen van enkele publicaties van Bertrand Russell over het zelfde onderwerp. [61]
Men komt in de publicaties van Russell de verwijzing tegen naar anarchisme als het uiterste ideaal voor de richting die de maatschappij zou moeten gaan. Door hem wordt bijvoorbeeld ook opgemerkt dat er geen echte vrijheid of democratie kan bestaan, totdat de mensen die het werk in een bedrijf doen ook het bestuur ervan beheren.
Noam Chomsky, de taalwetenschapper en maatschappijcriticus, hervindt het verloren gewaande pad van Bertrand Russell. Hij brengt diens libertaire gedachtegoed begin jaren zeventig van de vorige eeuw weer onder de aandacht. [62] In dat gedachtegoed speelt de Russische, negentiende eeuwse revolutionair en denker, Michael Bakoenin een toonaangevende rol. Deze is in die jaren zeventig weer ‘back in town’, lezen we op de achterflap van het boek over hem in die tijd door Arthur Lehning bezorgd. [63]
Het oude verhaal wordt opnieuw verteld als een ‘never ending story’ in een karavaan die rondreist in de vorm van een ‘never ending tour’. Het blijken stuk voor stuk mensen die tegendruk geven tegen hen, die het met de rechtsstaat en diens uitgangspunten niet nauw nemen als het gaat om verdediging van gevestigde, economische, belangen. Het zijn de mensen die de ‘waarden’ achter het rechtstatelijke denken niet verkwanseld willen zien worden. Het zijn mensen die zich wijden aan de afbraak van het leiderschap, het uitdagen van de macht en het ontmaskeren en ontkennen van de gevestigde instituten. Zij tarten de structuur van de macht. En zij niet alleen natuurlijk.

Waar het in deze instantie vooral om gaat, is de druk van de permanente kritiek opvoeren. Tegelijk moeten de pretenties worden uitgedaagd vanuit het idee van de directe democratie, vanuit de verwerping van gehiërarchiseerde instituties, vanuit een aanname van de sociale en economische gelijkheid van mensen, vanuit een delen van kennis, vanuit transparantie van politieke beslissingen, vanuit zelfbestuur in collectieve besluitvorming. Hiermee zijn maar enkele elementen genoemd, die om dynamisering vragen. Kortom, er is werk aan de winkel.

Thom Holterman

Notes :

[1Britta Böhler, Crisis in de rechtsstaat, Spraakmakende zaken, verborgen processen, Amsterdam, 2004.

[2Thomas Spijkerboer, Zeker weten, Inburgering en de fundamenten van het Nederlandse politieke bestel, Den Haag, 2007.

[3Zie het interview met hem in NRC-Handelsblad van 24/25 november 2007.

[4Ronald Jonge, Export van de rechtsstaat, in: Rechtsfilosofie en Rechtstheorie, 36ste jaargang, 2007, nr. 2, p. 3-8.

[5Vergelijk Alain Bihr, Du <> à <>, Le mouvement ouvrier européen en crise, Paris, 1991.

[6Dat laatste is wat we in een burgerlijke maatschappij tegen komen: rechten die theoretisch erkend worden, terwijl hun effectieve uitvoering achterwege blijft. Het is wat vele malen ook door anderen wordt geconstateerd: er bestaat dan misschien een perfecte burgerlijke vrijheid, maar die rust wel op een aantal discriminaties, privileges en ongelijke voorwaarden… Zie J.-C. Angaut, Bakounine jeune hégélien, La philosophie et son dehors, Lyon, 2007, p. 81-82.

[7Het ‘gist’ van alle kanten, in ieder geval in Frankrijk, wanneer het over ‘democratie’ gaat en als men gezaghebbende auteurs mag geloven, onder wie: J. Rancière, La Haine de la démocratie, (La Fabrique, 2005); G. Hermet, L’Hiver de la démocratie ou le nouveau régime, (Armand Colin, 2007); P. Michon, Les Rythmes du politique Démocratie et capitalisme, (Les Prairies ordinaires, 2007).

[8Is de grondwet geen ongezonde lectuur, kan men zich afvragen…; zie H.Krabbe, Ongezonde lectuur, Groningen, 1913.

[9Domela Nieuwenhuis, Het parlementarisme in zijn wezen en toepassing (1907), Amsterdam (zj), p. 66.

[10Onmiskenbaar is dat men elkaar zelfs expliciet voor ‘leugenaar’ uitmaakt, maar men trekt dat ook weer met het zelfde gemak in (zelf te veel boter op het hoofd?). Vergelijk de rel die oud-minister J. Pronk (PvdA) veroorzaakte door minister-president J.P. Balkenende (CDA) hardop een leugenaar te noemen. De aanleiding daartoe was de wijze waarop zijn regering Nederland op ‘een schandelijke manier’ de Irak-oorlog in zou hebben ‘gerommeld’ (aldus Pronk) (De Volkskrant van 4 september 200t; Internetversie).
Het afwijzen door de PvdA-fractie van het referendum over het nieuwe Europese verdrag levert een zoveelste vorm van parlementair gedraai (De Volkskrant van 26 september 2007), waarop de uitgangspunten van ‘argumentatieve willekeur’ uitstekend passen (zie mijn Argumentatieve willekeur en de beoefening van de staatsrechtwetenschap, Zwolle, 1988).
Over het Europese Verdrag wordt wel gepraat, maar het gaat nergens over… Toen de EU-leiders elkaar zouden treffen in Lissabon om hun fiat te geven aan de juridische uitwerking van het nieuwe hervormingsverdrag, sprak premier Balkenende de hoop uit dat het debat daarover in Lissabon ‘nergens over gaat’ en maar praten dus… (De Volkskrant van 17 oktober 2007; Internet versie).

[11Deze opvatting vindt men ook heden verdedigd en wel binnen het kader van een staatsrechtsbeoefening die als legitimatiewetenschap wordt ingezet. De Maastrichtse hoogleraar staats- en bestuursrecht L. Verhey vertolkte dit enige tijd geleden; vergelijk het interview met hem in Vrij Nederland van 26 mei 2007 (nr. 21).

[12Arthur Lehning in zijn Spaans dagboek en Aantekeningen over de revolutie in Spanje (1996), Amsterdam, 2006 (tweede druk).

[13In Frankrijk speelde zich iets soortgelijks af, rond een zelfde soort experiment. Ook daar, in het plaatsje Lignières (departement Indre), werd in de jaren vijftig op basis van de ideeën van Gesell door plaatselijk initiatief met succes het sociaal-economisch leven weer op gang gebracht. De introductie van het ‘Freigeld’, overeenkomstig Gesell’s idee, vond plaats door ‘la commune libre’ van Lignières. De centrale overheid greep in en brak het initiatief. Het functioneerde te goed en de Franse regering was bang dat het experiment in andere plaatsen zou worden overgenomen, aldus een van initiatiefnemers uit die jaren (1956). Zie voor een uitleg omtrent de opvattingen van Silvio Gesell en het Oostenrijkse voorbeeld, H. Visser, ‘Silvio Gesell, Een geniale ‘monetary crank’, in: Economische Statistische Berichten, 27 april 1983, p. 370-372. Het Franse voorbeeld vindt men besproken in: Bioscope, nr. 4, januari 1979, onder de titel ‘L’expérience de Lignières en Berry’.

[14Het buiten de kring van rechtsgenoten houden van zwarten is het werk van blanken, zoals kooplieden, grootgrondbezitters en planters geweest. Andere blanken leverden de intellectuele en juridische rechtvaardiging voor het handelen van de ‘kooplieden’, eeuwenlang. De grondslag ervoor werd gevonden in een dominantie denken, waarvan de Westerse samenlevingen nog steeds doordrenkt zijn. Natuurlijk, er is ook verzet geweest tegen het slavernijsysteem en het is uiteindelijk afgeschaft. Maar de oerwoudkreten die ook heden nog ten gehore worden gebracht, wanneer tijdens een voetbalwedstrijd een zwarte speler aan de bal is, leert dat het ideologische systeem dat de slavernij dekte nog steeds reflexen oproept. ‘Noir=sous-homme’. Het is de zwarte Franse sterspeler van het nationale elftal, Lilian Thuram, die dit heel pregnant analyseert in zijn verhelderend betoog ‘Pourquoi ces cris de singe?’, gepubliceerd in: Le Monde, 11 mei 2007.

[15Met Anton Constandse(1899-1985), Nederlands anarchist, atheïst, vrijdenker, schrijver, journalist, heb ik vele jaren in de redactie van het driemaandelijkse anarchistische tijdschrift De AS gezeten. Hij was al vroeg bij de, vooroorlogse, anarchistische beweging betrokken. De Spaanse burgeroorlog vormde het grote keerpunt in zijn leven. Toen bleek het nodig de staatloze idealen van het anarchisme op te offeren aan het verzet tegen het fascisme. “Daarmee brak ik met de grondslag van mijn eerste anarchistentijd, die gebaseerd was op het principe: ‘céder un peu, c’est capituler beaucoup’. Toch is, alles bij elkaar, mijn benaderingswijze van de problemen van onze samenleving dezelfde gebleven”, zo schrijft hij in het opstel ‘Iedereen verandert’ (in: Anton Constandse, De bron waaruit ik gedronken heb, Herinneringen, Amsterdam, 1985). Zo heb ik hem dan ook meegemaakt, als kritisch libertair. Over Anton Constandse, zie: Bert Gasenbeek, Rudolf de Jong, Pieter Edelman, Anton Constandse, Leven tegen de stroom in, Breda, 1999.

[16Die gedachte wordt gehuldigd door de politieke partijen die tezamen de meerderheid vormen in het parlement, inclusief de PvdA. Zo werd het niet nodig geacht dat de bevolking zich in een referendum uitspreekt voor of tegen de herziene tekst van het nieuwe Europese Verdrag (De Volkskrant van 26 september 2007). In de Franse pers wordt daarover gesproken in termen van ‘des référendums à haut risque’. De regering wijst een referendum af, als ze het risico loopt, dat de uitslag ervan haar onwelgevallig is.

[17The Crisis of Democracy, Report on the Governability of Democraties to the Trilateral Commission, New York University Press, 1975. Dit rapport is opgesteld door de directeuren van een groot aantal internationale bedrijven en banken uit de USA, Europa en Japan, aangevuld met journalisten en wetenschappers, die samen de Trilateral Commission vormden, opgericht in 1973. Het rapport vindt men besproken door Claude Julien, ‘Quand la démocratie menaçait le capitalisme’. Het is opgenomen in het themanummer ‘ Les droites au pouvoir’ van Le Monde diplomatique, Manière de voir, Bimestriel, nr. 95, oktober-november 2007, (p. 16-18). De bedoelde groep bestaat nog steeds, zie hun site: www.trilateral.org

[18Men vindt het allemaal terug bij R. Marcic, Geschichte der Rechtsphilosophie, Schwerpunkte-Kontrapunkte, Freinurg, 1971; zie p. 220 waar hij naar een romeins edict verwijst dat leert: het is groter onder de wet dan boven de wet te staan.

[19Wie over die conversie in machtsstaat meer wil weten, leze: G.Agamben, État d’exception, Homo sacer, II, 1, Paris, 2003

[20Het betreft hier een preadvies uitgebracht voor de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, nr. 19, Kluwer, Deventer, 1975, p.8.

[21Arthur Lehning, Anarcho-syndicalisme, tekst van een op 17 november 1926 gehouden inleiding; in herdruk verschenen in de brochure: Arthur Lehning en Anton Constandse, Anarcho-syndikalisme, Schiedam, 1971.

[22Berichtgeving naar aanleiding van een rapport van de Human Right Watch, in: De Volkskrant van 27 februari 2007 (Internet-uitgave).

[23In een onlangs uitgevaardigd decreet heeft president Bush het gebruik van marteling op van terrorisme verdachte gevangenen in de geheime CIA gevangenissen verboden. Men zal zich daar voortaan hebben te houden aan art. 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het decreet houdt desondanks de deur open voor bepaalde ‘méthodes d’interrogatoire ‘musclées’, toegestaan in het militaire handvest van de VS (Le Figaro, nr. BIS 19646, oktober 2007).

[24Denk bijvoorbeeld aan Romeinen 13, vers 4: ‘de overheid draagt het zwaard niet te vergeefs’.

[25Het betreft de Nederlandse, calvinistische rechtsfilosoof en hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, H. Dooyeweerd (1894-1977) wiens hoofdwerk in het Engels is vertaald (A New Crtique of Theoretical Thought, 1953). Merk op dat de Franse wetenschapper J. Ellul een bijdrage levert aan een gedenkboek voor Dooyeweerd bij diens zeventigste verjaardag.

[26H.J. van Eikema Hommes is de bedoelde leerling van Dooyeweerd; ik gebruik van hem onder meer zijn Methode der encyclopedie en hoofdlijnen van de geschiedenis der rechts- en staatsfilosofie, Zwolle, 1975.

[27In de Nederlandse politieke situatie is het dus niet vreemd regeringscoalities te vinden, waarvan telkens wel CDA/VVD/PvdA in wisselende samenstelling deel uitmaken, aangevuld met kleinere partijen ter linker- of rechterzijde van het politieke spectrum.

[28P.J. Troelstra, De sociaaldemokratie na de oorlog, Berlikum, 1921

[29Bart de Ligt (1883-1938), van origine theoloog, antimilitarist, fijnbesnaarde anarchist, bedenker van de ‘wetenschap van de vrede’, pleitbezorger van het individueel ontwikkelen van geestelijke weerbaarheid. Over hem en zijn denkbeelden, zie het proefschrift van Herman Noordegraaf, Niet met de wapenen der barbaren: het christen-anarchisme van Bart de Ligt, Baarn, 1994.

[30B. De Ligt, Maatschappelijke democratie, in: Bevrijding, mei 1933, opgenomen in de bundel Naar een vrije orde, bloemlezing uit de werken van Bart de Ligt, Arnhem, 1951, p, 196-202.

[31H. Kelsen geciteerd bij S. Baume, Kelsen, Plaider la démocratie, Paris, 2007, p. 43-44.

[32H. Kelsen geciteerd bij S. Baume, Kelsen, Plaider la démocratie, Paris, 2007, p. 36.

[33H. Kelsen geciteerd bij S, Baume, Kelsen, Plaider la démocratie, Paris, 2007, p. 66-69.

[34A.L. Constandse, De verschijningsvormen van het anarchisme, in: De Gids, 1974, nr. 4, p.246.

[35L. Janover, La Démocratie comme science-fiction de la politique, Arles, 2007, maakt daar een punt van zonder evenwel een afdoende antwoord te geven op vragen, die zich dan opdringen.

[36Rudolf de Jong, Vanaf de mestvaalt der geschiedenis, De anarchistische kritiek, in: B.W. Schaper, R. De Jong, G. Verrips, e.a., Het verbleekte ideaal, De linkse kritiek op de sociaal-democratie in Nederland. Amsterdam, 1982, p.29-41.

[37A.L. Constandse, De verschijningsvormen van het anarchisme, in: De Gids, 1974, nr. 4, p. 245.

[38Een voorbeeld betreft de beweging Longo maï, gesticht in 1973. Deze beweging mikt op sociale verandering door het opzetten van agrarische coöperaties en andere productieassociaties in landelijke omgevingen. Caroline Meijers bespreekt een aantal vraagstukken omtrent deze vorm van anti-kapitalisme en ‘agro-ecologie’ onder de titel Logo maï, un projet écologique?, in: Réfractions, nr. 18, voorjaar 2007 p. 23-40; zie ook de site: http://www.omslag.nl/longomai/ .

[39Thom Holterman, Naar een pragmatisch anarchisme, in: De Gids, nr. 9/10, december 1985, p. 725-734.

[40Uitgebreid over hem en zijn denkbeelden, zie: Louis Logister, Creatieve democratie, John Deweys pragmatisme als grondslag voor een democratische samenleving, Budel, 2004.

[41Over deze ‘immanente’ opvatting vindt men Kelsen veelvuldig geciteerd bij S, Baume, Kelsen, Plaider la démocratie, Paris, 2007, p. 19, 22, 34-35, 92.

[42Vergelijk K. Sale, Human scale, New York, 1980.

[43M. Bookchin (1921-2006) is de Amerikaanse libertaire denker die zich voor deze problematiek heeft sterk gemaakt. Zijn werk wordt voortgezet door de groep die zich rond hem heeft gevormd. Zie hun site: http://www.social-ecology.org/ .

[44Ik heb het hier natuurlijk niet over het stemmenlokkende geluid van de sociaal-democratische presidentskandidate bij de Franse presidentsverkiezingen van 2007. Waar ik het over heb voert terug op bijvoorbeeld M.P. Follet, The New State, Group organisation the solution of popular government.New York, 1918; C. Pateman, Participation and democratic theorie, Cambridge, 1970; C.G. Benello and D. Roussopoulos, The case for participatory democracy, some prospects for a radical society, New York, 1974.

[45E. Grandvuinet, Qui veut détruire la Classe Moyenne?, Nantes, 2005, p. 67.

[46Ik spreek hier van ‘pluriform anarchisme’ omdat ik niet het idee deel, dat er één anarchisme zou bestaan.

[47Zie wat de laatste daarover in zijn opstel ‘Veranderen van de wereld’ zegt; Noam Chomsky, Over het interpreteren en veranderen van de wereld, Amsterdam, 1972. Een aantal relevante teksten omtrent de politieke visie van hem vindt men verzameld in: Noam Chomsky, De l’espoir en l’avenir, Propos sur l’anarchisme et le socialisme, Agone, Marseille, 2002; zie ook het interview met hem in Le Monde Diplomatique (augustus 2007). Wat het hier behandelde onderwerp betreft is ook het interview relevant tussen Chomsky en Eva Golinger (Venezuela) van september 2007, zie: http://www.chavezcode.com/2007/09/conversations-with-chomsky.html .

[48Zie diens De arbeid vrij, Amsterdam, 1970 (bevat overdrukken van artikelen uit rond 1930). Arthur Lehning (1899-2000) verwierf vooral bekendheid met zijn werk aan de Archives Bakounine (7 delen). Wat hij aan anarcho-politieke gedachte neerlegde in Radendemocratie of staatscommunisme: Marxisme en anarchisme in de Russische Revolutie (1929/1930), Amsterdam, 1972, heeft hij zijn hele leven uitgedragen.

[49Ik verwerkte die moderne terminologie in een van de bestudeerde bestuurswijzen in het slothoofdstuk van mijn Constanten in het publiekrecht: met het oog op besturen, Zwolle, 1995.

[50Ondermeer geregeld in de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. In de vorm van een bezweringsformule heeft men in de naam van de wet het woord ‘zekerheid’ (met hoofdletter) opgenomen.

[51Vergelijk A. den Doolaard, Hooge hoeden en pantserplaten, Amsterdam,1934 (manifest).

[52Een verpersoonlijking van het bedoelde leiderschap is te vinden in de persoon van voormalige topman J. Timmer, onder meer bekend van het opgang brengen van de operatie-Centurion bij Philips. In een interview met hem merkt hij op dat leiderschap in je zit. “Ik werd er op aangesproken dat ik een dictatoriale kijk op leiding geven had. Maar het was nodig om de Jan Salie-mentaliteit te doorbreken. Daarom werd een soort oertype van management toegepast: ‘Getting things done through other people’. Bij Centurion hebben we in alle lagen van het bedrijf gesneden”. Uit een interview met André de Vos, in: Management Team, 24 februari 2006.

[53Term is afkomstig uit het artikel ‘Autogestion, En route pour l’espoir’, in: Le Monde libertaire, hors série nr. 32, zomer 2007, p. 30.

[54Zelfs de Franse individueel anarchist E. Armand vindt dit de normaalste zaak van de wereld. Zie diens artikel ‘La parole donnée’, in: L’Unique, nr. 5, november 1945.

[55In mijn Nederlandse verblijfplaats, een middelgrote gemeente van 120.000 inwoners, heb ik gedurende een aantal jaren meer dan eens als onafhankelijke derde mij met geschillenoplossing tussen het gemeentebestuur en burgers beziggehouden. Steeds heb ik daar bij getracht de conflicterende partijen elkaar te laten uitleggen wat nu in de kern hun geschilpunt was om daarna elkaar te laten vertellen wat in hun ogen een redelijke oplossing voor het probleem was om hen vervolgens zelf een conclusie te laten trekken, zij het in de vorm van een compromis, zij het in de erkenning of aanvaarding van hetgeen uiteindelijk als besluit uit de beraadslaging volgde. Een van de dingen die ik namelijk al heel snel had ervaren was, dat het conflict kon ontstaan omdat men niet naar elkaar luisterde. Tijdens de zitting voor de geschillenbeslechting bleek mij dan dat dit voor het eerst echt gebeurde…

[56Claude Lefort, ‘La pensée politique devant les droits de l’homme’, (een bijdrage aan een conferentie in 1980), opgenomen in: Claude Lefort, Le temps présent, Écrits 1945-2005, Paris, 2007, p. 405-421.

[57De monarchomachen ontwikkelden de leer van het rechtmatige verzet van onderdanen tegen hun vorst, als deze het verdrag dat tussen hen geldt, met de voeten treedt. Het ‘ius resistendi’ (recht van verzet) is dan ook de eerste verschijningsvorm van de garantie van de nakoming van grondrechten. Vergelijk R. Marcic, Geschichte der Rechtsphilosophie, Schwerpunkte – Kontrapunkte, Freiburg, 1971, p. 70, 239-240.

[58M.C. Burkens, De meerwaarde van nationale grondrechten, p. 11-25, in: C.H. Brants, C. Kelk, M. Moerings, Is er meer, Opstellen over mensenrechten in internationale en nationaal perspectief, Deventer, 1996.

[59A. Vallini en anderen, Pour une justice au service des citoyens, in: Le Monde, 27 april 2007.

[60Waarover G. Sevrin, voorzitter van de Franse afdeling van Amnesty Internatioal, in: Le Monde van 24 mei 2007

[61Vergelijk diens Principles of Social Reconstruction, (London, 1916), Proposed Raods to Freedom – Anarchy, Socialism and Syndicalism, (New York, 1919).

[62N. Chomsky, Problems of Knowledge and Freedom, (New York, 1971); een paar jaar later gevolgd door zijn Johan Huizinga lezing in december 1977. Verschenen onder de titel De intellectuelen en de staat, (Baarn, 1978).

[63Arthur Lehning, Michael Bakoenin over anarchisme, staat en dictatuur, (Den Haag, 1970).




Site gebouwd met SPIP
met het sjabloon ESCAL-V3
Versie : 3.87.47